Job - een klaaglied

Toen ik het Somerische heldenverhaal Gilgamesj - een ruim 3500 jaar oude tekst - bewerkte, werd ik geraakt door de rijke taal die dit epos kenmerkt.
De taal van het oudtestamentische Boek Job kent diezelfde rijkdom qua taal én qua inhoud. Sinds mijn vroege puberteit vond ik die tekst intrigerend én stuitend.
Job werd dan ook mijn volgende klus. De tekst is al weer een poosje klaar, en inmiddels onderzoek ik
hoe ik die bijzondere vertelling zal presenteren.

Hier alvast een voorproefje!



‘Iemand die onrijpe druiven eet,
 krijgt alleen zelf stroeve tanden!’

Ik zal een jaar of vier geweest zijn,
toen ik voor het eerst die wonderlijke
uitdrukking uit haar mond hoorde…

Mijn grootmoeder zat op de harde rotsgrond,
net buiten de omheining,

haar benen als kussens
- wijd gespreid -

waartussen ik veilig woonde,
mijn hoofdje rustend tegen

haar zachte borsten.

Grootmoeder vertelde graag sprookjes.
Nee, nee, ik bedoel niet dat zij schaamteloos
was zoals sprookjesvertellers, schrijvers

en leugenachtige vrienden
dat veelal zijn.

Zij was mijn
grootmoeder!
Geen
sprookjesverteller!
Grootmoeders vertellen sprookjes,

sprookjesvertellers verkopen onzin!

Ze sloeg haar armen om
me heen en begon:

‘Er was eens,
in een andere tijd, maar
onder dezelfde maan en
onder dezelfde zon,
géén grote god.’

 

 

 

Stoel